Pelmolen CERES

Technische specificaties

Plaats en gemeente Spijk, gem. Delfzijl
Naam van de molen Ceres
Eigenaar Stichting Het Groninger Landschap
Type Achtkante bovenkruier met stelling
Functie Koren- en pelmolen
Adres / ligging ’t Loug 15;9909AB Spijk
Bouwjaar 1839
Molenaar H. F. de Haan, Uithuizen
Openingstijden zaterdagmiddag
Activiteiten op de molen kleine tentoonstelling onder in de molen
Bouwwijze De achtkant en de kap van de molen zijn met riet bekleed. De molen staat op stenen stiepen

Technische gegevens

Kruiwerk Neutenkruiwerk, kruilier met kabel en haak
Bovenas Vanaf 1874 heeft de molen een bovenas van de fa. L. I. Enthoven en Co te ‘s-Gravenhage
Vang Vlaamse vang met duimophanging
Gevlucht De binnenroede is afkomstig van de Gebr. Pot te Kinderdijk . Het nummer en jaartal zijn onbekend. Deze roede zit al ruim 60 jaar in de molen en is al de 3e molen waarin hij wordt gebruikt. De buitenroede is gemaakt door Buurma uit Oudeschans nr. 13 van 1966. Op de binnenroede zelfzwichting met van Bussel en remkleppen en op de buitenroede Oud-Hollands met fokwieken. Vlucht 21 meter.
Inrichting 1 koppel maalstenen en 2 koppels pelstenen
Overbrengingsverhoudingen aantal kammen bovenwiel 62
aantal kammen bonkelaar 33
aantal kammen luitafel 37
aantal kammen luiwiel 26
aantal kammen spoorwiel 97
aantal staven pelschijfloop noord 21
aantal staven pelschijfloop zuid 21
aantal staven steenschijfloop 2
Bedrijfsvaardigheid In bedrijf

Onderhoudstoestand
Biotoop Kan beter

Restauraties Op 3 februari 2001 werd de onderkant van de koren- en pelmolen opnieuw met hout bekleed en molenmakers verstevigde de constructie om te voorkomen dat de Ceres verzakt. Er is ook een sprinklerinstallatie aangebracht
Bijzonderheden De achtkantstijlen lopen van het maaiveld tot de kap. De prachtige stellingdeuren waren als kajuitdeuren afkomstig van een houten zeilschip. In december 1999 werd de pelinrichting weer in gebruik genomen en werd er tevens het boek De Groninger Pelmolen gepresenteerd

bouwgeschiedenis
Op 26 juni 1838 kreeg Tjark Pieters Houtman van Gedeputeerde staten toestemming voor het bouwen van een koren- en pelmolen in Spijk. Samen met zijn vrouw Hyke Jans Allersma kocht hij in 1838 daarop iets ten westen van de kerk in Spijk een huis met een erf. In 1839 verrees hier ingeklemd tussen de huizen, de inmiddels bekende koren – en pelmolen die tot vandaag de dag het dorpsbeeld bepaald. Bij de aanvraag voor het bouwen van de molen had Houtman concurrentie ondervonden van een collega koopman-molenaar Popke Jurjens Dijksterhuis. Hij wilde zijn in 1827 gekochte korenmolen naar Spijk verplaatsen en er tevens pelstenen in laten leggen. Spijk was samen met Bierum zelf het enige dorp binnen de gemeente waar op dat moment geen koren- en pelmolen stond. Gedeputeerde Staten verbood het bouwen van meer dan een graanmolen in Spijk. Het wierdedorp was te klein voor twee molens. Het is niet met zekerheid te zeggen of Houtman ook op de molen heeft gewerkt. Hij zou ook goed kunnen dat hij in Holwierde waar hij nog altijd een molenbedrijf en een kalbranderij bezat de molen en het huis daarbij verpachtte aan iemand anders. Houtman besloot het wat rustiger aan te gaan doen in 1848 en besloot de molen te verkopen. De molen kwam toen in handen van zijn dochter Johanna Tjarks Houtman en echtgenoot Tidde Suines Wiering die ieder voor de helft eigenaar werden van de molen. Houtman’s schoonzoon wilde gaan rentenieren en verkocht de molen aan Maarten Hendriks Kimm, voormalig winkelier te Spijk. Al voor de overname was Hendriks Kimm reeds werkzaam als molenaar op de molen. In 1853 bedroeg de gemiddelde verkoopprijs van een molen ongeveer 9300 gulden. De situatie in de landbouw was gunstig, maar de grote stijging van het aantal koren- en pelmolens in de jaren vijftig zorgde ook voor grote concurrentie. Door de lage rentestand in de vijftiger jaren was het gunstig geld te lenen. Vanaf 1855 kreeg de molen concurrentie van een andere koren- en pelmolen in het dorp. Deze werd door een zoon van Tjark Pieters Houtman gebouwd aan de zuidzijde van het Spijkstermeer. De molen bleef echter niet lang. De nieuwe eigenaar Mozes Nieveen verhuisde de molen in 1861 naar Hornhuizen. Voor het jaar 1866 is er een beschikking over de betaalde lonen van molenaarsknechten en daaruit bleek dat Kimm het meest betaalde 2,50 terwijl andere molenaarsknechten 1,50 per week kregen. In 1853 kwam Marten Kimm in het bezit van de molen en hij overleed in 1899 op 83 jarige leeftijd en werd opgevolgd door zijn oudste zoon Jan Kimm. Deze was toen al 52 jaar en ongehuwd en had als knecht het vak bij zijn vader geleerd. In 1902 werd de molen eigendom van vijf broers en zussen uit de familie Kimm. Broodbakker Remmert Keizer uit Krewerd werd door zijn trouwen met Martje Kimm ook één van de eigenaren. Enige jaren erna kwam de molen in handen van broer en zus Jan en Grietje Kimm die in 1921 de molen verkochten aan Kornelis Keizer, de zoon van Remmert en Martje Keizer. Hij had als molenaarsknecht in Holwierde gewerkt alvorens hij de molen overnam. Jan Kimm zou zijn neef Kornelis behulpzaam zijn om hem de fijne kneepjes van het vak verder bij te brengen. De zaken liepen voor Kornelis Keizer minder goed dan was gehoopt. Tien jaar na de aankoop ging hij failliet. Dit ondanks het feit dan de petroleummotor die in 1906 was geplaatst in 1925 was vervangen door een elektromotor zodat ook op windstille dagen kon worden gewerkt. Er vond in 1931 een veiling plaats in de molen, behuizing en grond werden elk in een perceel onderverdeelt en verkocht. De molen werd gekocht door acht boeren uit Spijk, die de molen aan Keizer verhuurden. Toen Remmert Keizer, de zoon van Kornelis, 12 werd ging hij zijn vader helpen op de molen. In 1932 kwam Remmert van de lagere school en ging zijn vader bijstaan om zo het geld van een knecht uit te sparen. Kornelis deed niets aan onderhoud. Zo is het twee maal gebeurd dat door harde wind een deel van het wiekenkruis losraakte en over het molenhuis heen in de gracht voor het huis terecht kwam, dit tot schrik van omwonenden. Remmert en zijn vader maalden en pelden in hoofdzaak voor de inwoners van Spijk en omgeving. Het graan werd niet alleen van de boeren gekocht maar ook op de beurs in Groningen. De Spijkster boeren waren goede klanten van hen, met name zij die knechten op de kost hadden. De boeren kochten voor twee gulden vijftig per 60 kilo gort in, die werd gebruikt voor de bereiding van karnemelksepap en de soepenbrij. Naast de grauwe erwten en spek waren deze gortproducten dagelijkse kost voor de inwoners van Spijk. In een apart kamertje in het molenhuis werd gort en ander meel verkocht. Voor juffertjes- of parelgort moest het meeste worden betaald. Geslepen gort was het duurste gortproduct. Vader en zoon Keizer verkochten ook nog paardenbrood, een mengsel van bonen en gerst verwerkt werden. De inkomsten uit het werken op de molen alleen waren voor de familie Keizer in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog niet voldoende. In 1943 werd de molen voorzien van stroomlijnneuzen met remkleppen naast de zelfzwichting. Er was toen reeds jarenlang een elektrische hulpmotor in de molen aanwezig doch door laatstgenoemde verbetering bleek deze overbodig en werd deze verkocht. De stroomlijnneuzen waren een grote verbetering, die al dadelijk haar nuttig effect in drukke oorlogsjaren kon bewijzen. Tot die tijd had de molen nog geen naam maar na Genoemde restauratie prijkt vanaf 1943 de veelzeggende naam “Ceres” op de molen. De naam “Ceres” komt van de Romeinse godin van de oogsten en van de landbouw. Bij de ontploffingsramp van 12 juni 1945 werd de molen ook beschadigd. De restauratie van 2000 gulden bleek in 1949/1950 niet voldoende te zijn geweest en er was weer 4000 gulden nodig.Die lasten gingen de familie Keizer te boven en men nam contact op met de Hollandsche Molen. Die adviseerde monumentenzorg een subsidie te geven voor de molen waarna ook de gemeente en de provincie volgde en de spaarbank. In 1950 werden kleppen vernieuwd en van nieuwe beugels voorzien en ook werd de molen geheel geschilderd. De fa. Holman en Zoon te Stroobos verrichten het molenmakerswerk en het schilderwerk werd gedaan door L. Schenkel te Spijk. Het rietdek werd gedaan door Slachter en Zoon te Opwierde. Op 18 maart 1952 werd de molen door gedeputeerde Mager weer in gebruik gesteld. In de zomer was de wind vaak niet krachtig genoeg en vertrok Remmert die maanden dan naar de omliggende boerderijen om daar op het land te gaan werken en zo wat extra’s te verdienen. Na de oorlog kwam er voor Remmert en Kornelis Keizer weer veel werk zeker vergeleken bij die jaren ervoor. Ze kregen het zelfs zo druk dat ze een knecht in dienst moesten nemen. Dat de vraag naar gemalen en gepelde granen in de oorlogsjaren toenam, werd voornamelijk veroorzaakt door het verbod voor boeren om zelf granen te malen. Hierdoor gingen de zaken zo goed dat Kornelis Keizer in 1944 de molen weer terug kon kopen. Na de oorlog besloot Kornelis om het rustiger aan te gaan doen en verkocht daarom zijn bezit aan zijn vier kinderen. Uiteindelijk zou de molen in 1948 eigendom worden van zoon Remmert en zijn vrouw Bouke Wieringa. De gortpellerij, die voor de familie Keizer vergeleken met de graanmalerij tocht al nooit de grootste bron van inkomsten was geweest, werd na de oorlog steeds minder. Tot 1955 werd er nog voor een aantal vaste klanten uit de omgeving gerst gepeld, daarna was het afgelopen. Tot 1969 heeft Remmert Keizer zich nog grotendeels toegelegd op het produceren van veevoer, waar nu eenmaal de grootste vraag naar was. Toen er bij Keizer in de jaren zeventig suikerziekte werd geconstateerd moest hij noodgedwongen met dit zware werk stoppen. Het maalvaardig houden van de molen was niet meer op te brengen en op 30 juni 1982 kwam de molen in handen van de Stichting Groninger Molenvrienden en vanaf 1986 naar de Stichting De Groninger Molen. Remmert Keizer en zijn vrouw verlieten in 2001 het molenaarshuis naast de molen.

tekst Mark van Straten en foto’s JGH